Huisartsenbrochure Dunnevezelneuropathie

Dunnevezelneuropathie 5 Algemeen · · Hoofdbehandelaar De hoofdbehandelaar is over het algemeen de neuroloog. Het komt vaak voor dat andere zorgverleners de behandeling overnemen, na het stellen van de diagnose, afhankelijk van de individuele situatie. · · Betrokken specialisten kunnen zijn: internist, psychiater, revalidatiearts en anesthesist (polikliniek pijnbestrijding). De patiënt kan ook bij de huisarts terecht voor neuropathische pijnbestrijding. Wanneer dit niet toereikend is, kan de huisarts de patiënt verwijzen naar een pijnteam. · · Behandeldoelen De behandeling is enerzijds gericht op de behandeling van mogelijke onderliggende oorzaken (door de specialist voor die specifieke aandoening) en anderzijds op symptoombestrijding. Symptoombestrijding omvat niet alleen pijnbestrijding, maar ook vermindering van autonome klachten en verbetering van psychosociaal welbevinden. Behandeling van DVN · · Aanpakken van onderliggende oorzaken De eerste stap in de behandeling van DVN is het aanpakken van een eventuele onderliggende aandoening. Dit kan tot een verbetering van de klachten leiden. De meest voorkomende aandoening hierbij is diabetes mellitus (zie Bijlage 1 voor een overzicht van mogelijke onderliggende aandoeningen). Voor sarcoïdose is het advies om de patiënt te laten behandelen door een specialist gespecialiseerd in sarcoïdose (zie Informatie voor de huisarts over Sarcoïdose ) . · · Symptoombestrijding bij pijn Bij ongeveer de helft van de patiënten is de onderliggende oorzaak (nog) niet bekend. Symptoombestrijding is dan de enige optie. Helaas geven veel van de medicijnen bijwerkingen en zijn ze ook niet heel erg effectief. Bij de medicamenteuze behandeling van DVN hebben selectieve serotonineheropnameremmers (SSRI) en serotonine-noradrenalineheropnameremmers (SNRI’s) de voorkeur vanwege een iets gunstiger bijwerkingenprofiel dan tricyclische antidepressiva (TCA). Hierin wijkt het beleid af van de NHG-Standaard Pijn . · · Opties voor symptoombestrijding zijn (zie Tabel 1 ): -- antidepressiva: SSRI’s/SNRI’s zoals duloxetine of venlafaxine, tricyclische antidepressiva (TCA’s) zoals amitriptyline of nortriptyline; -- anti-epileptica: pregabaline of gabapentine; -- combinatie van lage dosis tricyclisch antidepressivum met anti-epileptica; -- opiaten (tramadol of oxycodon); -- bij lokale pijn: capsaïcine- en lidocaïnecrème. Het nadeel is dat de crèmes vaak maar kort werken; -- adjuvante TENS-behandeling: is alleen toepasbaar is bij een vrij beperkt aangedaan gebied, wat bij de meeste patiënten niet het geval is. · · Het is belangrijk een medicament voldoende lang (4 tot 8 weken) in een voldoende hoge dosering voor te schrijven voordat het effect kan worden beoordeeld. Verwijs de patiënt naar een pijncentrum als de pijn niet goed onder controle te krijgen is. 10 B eleid Klasse Type Naam Eerste keus Tweede keus Derde keus Antidepressiva Anti-epileptica Opioïden Opioïden Topische agentia Selectieve noradrenaline en serotonine re-uptake inhibitors (SSRI’s/SNRI’s) Tricyclische antidepressiva (TCA’s) (liever niet bij patiënten > 70 jaar) Α 2 δ calcium-antagonisten Zwak Sterk Duloxetine Venlafaxine Amitriptyline Nortriptyline Pregabaline Gabapentine Tramadol O.a. oxycodon, methadon, buprenorfinepleister, fentanylpleister Lidocaïnepleister (5%), Capsaïcinepleister (8%) Tabel 1. Therapeutische opties bij de symptomatische behandeling van DVN. 3,7

RkJQdWJsaXNoZXIy Mjc2MDM=