Previous Page  4 / 25 Next Page
Information
Show Menu
Previous Page 4 / 25 Next Page
Page Background

Downsyndroom

E

nkele feiten

Vóórkomen

·

·

Prevalentie

Jaarlijks worden er in Nederland ongeveer

200-250 kinderen met Downsyndroom geboren. De

prevalentie ligt de afgelopen decennia op 11-16 per 10.000

levendgeborenen. In Nederland zijn er ruim 12.500 mensen

met Downsyndroom, waarvan ongeveer 35% in de leeftijd

van 0-18 jaar. Een huisarts heeft gemiddeld 1-3 mensen met

Downsyndroom in zijn praktijk.

·

·

Geslacht

Downsyndroom komt iets vaker voor bij jongens

dan bij meisjes (ratio 1,2:1).

·

·

Etniciteit

Downsyndroom komt bij alle etnische groepen

voor. De prevalentie varieert door factoren die effect hebben

op de leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen en door

factoren die het gebruik van prenatale diagnostiek en

zwangerschapsafbreking beïnvloeden.

Etiologie en erfelijkheid

·

·

Etiologie

De kans op een kind met Downsyndroom neemt

toe met de maternale leeftijd: van kleiner dan 0,1% voor

20-25-jarigen tot 1-4% bij vrouwen boven de 40 jaar. De

herhalingskans is rond de 1% bij niet-erfelijke vormen (waar

de kans in relatie tot de leeftijd van de moeder nog bij moet

worden opgeteld). Wanneer één van de ouders drager is van

een translocatie, varieert de herhalingskans tussen 3-100%.

·

·

Erfelijkheid

95% van de mensen met Downsyndroom heeft

een volledige trisomie 21. Meestal ontstaat dit door een

non-disjunctie tijdens de meiose (I>II) van de eicel (80-95%)

of de zaadcel (5-20%), soms tijdens de mitose. Deze vorm van

Downsyndroom is niet erfelijk.

Bij 4% is er sprake van een Robertsoniaanse translocatie,

waarbij een extra chromosoom 21 vastzit aan een ander

chromosoom. Bij een kwart van hen ontstaat dit doordat

één van de ouders (meestal de moeder) drager is van een

gebalanceerde translocatie. Bij een Robertsoniaanse

translocatie kunnen de ouders genetisch onderzoek laten

doen om eventueel dragerschap vast te stellen.

Ongeveer 1-2% heeft een mozaïek trisomie 21.

Diagnose

Als tijdens de zwangerschap met de combinatietest en/of

niet-invasieve prenatale test (NIPT) een verhoogde kans op

Downsyndroom is vastgesteld, kan een zwangere kiezen voor

vervolgdiagnostiek (vlokkentest of vruchtwaterpunctie).

Ongeveer 70-75% van de zwangeren in Nederland doet echter

niet mee aan de screening op Downsyndroommet de huidige

combinatietest. Het is mogelijk dat het aantal zwangeren dat

meedoet aan screening op Downsyndroom toeneemt, wanneer

de NIPT wordt aangeboden aan alle zwangeren in Nederland.

In de meeste gevallen ontstaat er dus pas na de geboorte

een klinisch vermoeden van Downsyndroom, meestal in de

eerste levensdagen. De diagnose wordt dan gesteld door

chromosomenonderzoek (karyotypering) in bloed.

2

Downsyndroom

In 1866 publiceerde de Britse arts John Langdon Down een uitgebreide beschrijving vanmensenmet Downsyndroom.

In 1959 werd ontdekt dat Downsyndroom veroorzaakt wordt door een volledige of gedeeltelijke trisomie 21.

Mensenmet Downsyndroomhebben een verstandelijke beperking. Daarnaast hebben zij relatief vaak kleine handen

en voeten, scheefstaande ogen en afwijkingen aan hart, schildklier en tractus digestivus. Hoe zij zich ontwikkelen en

hoe ernstig de gezondheidsproblemen zijn, verschilt van persoon tot persoon.

Op de kinderleeftijd is vaak een kinderarts de medische hoofdbehandelaar, bij volwassenen soms een arts voor

verstandelijk gehandicapten (AVG). Veel kinderen en sommige volwassenen bezoeken speciale Downpoliklinieken of

-teams. De primaire medische zorg is meestal in handen van de huisarts, al dan niet ondersteund door een kinderarts

of AVG. Daarnaast spelen paramedici (fysiotherapeuten, logopedisten, ergotherapeuten) en orthopedagogen/

psychologen een belangrijke rol bij de ontwikkeling van kinderen en volwassenenmet Downsyndroom.