Previous Page  8 / 15 Next Page
Information
Show Menu
Previous Page 8 / 15 Next Page
Page Background

Myeloproliferatieve neoplasmata

6

accepteren van de ziekte en/of met het omgaan met

de beperkingen en belastbaarheidsgrenzen. Een

revalidatiearts of fysiotherapeut kan begeleiding geven

bij (aangepast) sporten om de conditie op peil te houden

of te verbeteren.

·

·

Jeuk

Geef niet-medicamenteuze adviezen: niet te

lang en te vaak douchen en de huid droog deppen in

plaats van wrijven. Medicamenteuze behandeling met

gepegyleerd interferon, naast eventueel antihistaminica,

heeft de voorkeur. Recente onderzoeken toonden ook

goede effecten van JAK2-remmers, sirolimus (off-label)

en fototherapie (UVB/UVA). Bij onvoldoende effect van

bovenstaande middelen kan de patiënt medicatie tegen

neurogene jeuk proberen (capsaïcine, gabapentine,

antidepressiva).

Essentiële trombocytose (ET)

·

·

Laag risico

Voor patiënten met een laag risico (leeftijd < 60

jaar, zonder trombotische complicaties en cardiovasculaire

risicofactoren) is carbasalaatcalcium 1 dd 100 mg of

acetylsalicylzuur 1 dd 80 mg voldoende.

·

·

Verhoogd risico

Bij een leeftijd > 60 jaar, trombocyten >

1.500 x 10

9

/L, trombotische of hemorragische complicaties

en/of cardiovasculaire risicofactoren moeten patiënten

daarnaast celgroeiremmende middelen gebruiken.

·

·

Cardiovasculaire risicofactoren

De huisarts behandelt

cardiovasculaire risicofactoren conform de

NHG- Standaard Cardiovasculair risicomanagement .

Polycythaemia vera (PV)

·

·

Flebotomie

Bij PV staat het reguleren van het Ht en

daarmee de viscositeit van het bloed op de voorgrond.

Met flebotomieën en zo nodig celgroeiremmers proberen

hematologen bij de patiënt een streefwaarde van < 0,45

L/L voor mannen en < 0,42 L/L voor vrouwen te bereiken.

Flebotomie heeft ijzerdepletie tot gevolg, wat de

erytropoëse remt. Daarom suppleert de (huis)arts geen

ijzer.

·

·

Trombocytenaggregatieremmers

Naast Ht-regulering

schrijven artsen trombocytenaggregatieremmers voor om

het risico op trombo-embolische complicaties te verlagen.

·

·

Celgroeiremmers

Patiënten met een leeftijd boven

de 60 jaar en/of trombotische complicaties in de

voorgeschiedenis gebruiken daarnaast celgroeiremmende

middelen. Interferon-

α

en hydroxycarbamide zijn

middelen van eerste keus. Bij resistentie of onacceptabele

bijwerkingen van hydroxycarbamide kan de patiënt een

JAK2-remmer proberen.

·

·

Cardiovasculaire risicofactoren

De huisarts behandelt

cardiovasculaire risicofactoren conform de

NHG- Standaard Cardiovasculair risicomanagement .

·

·

Gastro-intestinaal bloedverlies

Bij een onverklaarde

daling van het Hb-gehalte of wanneer de patiënt

onverwacht minder vaak flebotomieën nodig heeft, is de

(huis)arts extra bedacht op bloedverlies via de tractus

digestivus. Een aanknopingspunt door het verlaagde

gemiddelde corpusculair volume ontbreekt meestal

doordat er door de flebotomieën al een microcytair

bloedbeeld is ontstaan.

·

·

Jicht

Bij jicht kan de patiënt allopurinol (1 dd 300 mg)

gebruiken als behandeling en ter preventie van nieuwe

aanvallen. Dit advies wijkt af van de

NHG-Standaard Artritis

.

Primaire myelofibrose (MF)

·

·

Stamceltransplantatie

Primaire MF kan alleen genezen

worden met een allogene stamceltransplantatie.

·

·

Ruxolitinib

Ruxolitinib is geïndiceerd bij MF (primair,

post-ET of post-PV) indien er sprake is van splenomegalie

en/of constitutionele symptomen. Ruxolitinib kan de

splenomegalie in een deel van de patiënten verminderen,

dan wel doen verdwijnen en heeft vaak een positief effect

op de constitutionele symptomen. Er zijn aanwijzingen

dat het een positief effect heeft op de prognose. Vanwege

de hoge kosten (€4.000/maand) en noodzakelijk langdurig

gebruik moet de hematoloog de indicatie voor gebruik

kritisch stellen.

·

·

Trombocytenaggregatieremmers

De (huis)arts schrijft

trombocytenaggregatieremmers voor om het risico op

trombo-embolische complicaties te verlagen. Patiënten

mogen deze middelen niet gebruiken bij trombocyten

> 1.500 x 10

9

/L en als zij een verworven ziekte van Von

Willebrand hebben.

·

·

Celgroeiremmers

Patiënten gebruiken celgroeiremmers

wanneer er sprake is van myeloproliferatie (leukocytose,

trombocytose, symptomatische splenomegalie) of

verworven ziekte van VonWillebrand.

·

·

Cardiovasculaire risicofactoren

De huisarts behandelt

cardiovasculaire risicofactoren conform de

NHG- Standaard Cardiovasculair risicomanagement

.

·

·

Splenomegalie

Indien celgroeiremmers onvoldoende

effect hebben op symptomatische splenomegalie, kan de

patiënt splenectomie of miltbestraling overwegen.

·

·

Anemie

Bij patiënten met transfusieafhankelijke anemie

schrijft de hematoloog erytropoëtine, foliumzuur,

immuunmodulerende middelen (thalidomide,

lenalidomide) en/of androgenen (danazol) voor. Bij slechts

een klein deel van de patiënten zijn deze middelen

effectief.

·

·

Busulfan enmelfalan

Patiënten kunnen busulfan of

melfalan overwegen indien andere celgroeiremmende

middelen onvoldoende effect hebben of onacceptabele

bijwerkingen geven en de levensverwachting beperkt is.