Background Image
Previous Page  50 / 106 Next Page
Information
Show Menu
Previous Page 50 / 106 Next Page
Page Background

50

Onderzoek en begeleiding in deze fase worden verleend in het EC. Patiënten met risico op NF2 kunnen

echter ook in diverse ziekenhuizen onder behandeling staan (nog zonder diagnose NF2). Van belang is dat

zorgverleners in deze ziekenhuizen de kenmerken en symptomen van de risicogroepen (ook zonder

familiegeschiedenis) kennen en doorverwijzen naar het expertisecentrum.

De RA in het EC ziet toe op inhoudelijke aspecten van (periodieke) onderzoek(en) en begeleiding en overlegt

met zijn multidisciplinaire team over de verkregen onderzoeksresultaten en vervolgacties. De casemanager

ziet toe op de afspraken voor onderzoeken en begeleidt het individu vóór, tijdens en na de onderzoeken.

Individueel zorgplan en zelfmanagement

Wanneer er indicatie is voor periodiek onderzoek bij een individu (zi

e 4.3.1 Indicatie)

,

dan dient in deze fase

een IzP opgesteld te worden door de RA samen met de (vertegenwoordiger) van de patiënt. Daarin worden

de afspraken vastgelegd voor de diverse periodieke onderzoeken en worden de (alarm)symptomen

beschreven, waarop de (vertegenwoordiger van) patiënt moet letten. Ook wordt informatie opgenomen

over situaties wanneer er (onmiddellijk) contact gezocht moet worden met de RA of eerste hulp.

3.2.3.3 Fase 3: diagnose

Zorgverleners

Deze fase kan op twee manieren ‘’aanbreken’’:

1.

De (genetische) diagnose is een gevolg van vroegtijdige opsporing (screening en begeleiding) van het

individu dat tot de risicopopulatie behoort en (nog) geen of beginnende klachten heeft (zie

4.3 Vroegtijdige opsporing)

. Belangrijk is dat de nieuw gediagnosticeerde patiënt na de diagnose zo snel

mogelijk overgedragen wordt aan het multidisciplinair team die de patiënt gaat behandelen en

begeleiden (zi

e 2. 3.2.3.4 Fase 4: behandeling en begeleiding)

. Bij de overdracht wordt de RA en casemanager

benoemd.

3.

De klinische diagnose is een gevolg van onderzoeken, die naar aanleiding van klachten van het

individu verricht werden. Afhankelijk van de klachten kan de patiënt via een aantal disciplines

‘’binnenstromen’’: KNO, neurochirurgie, neurologie , dermatologie, oogheelkunde, maar andere

disciplines (vooral bij in het geval van kinderen) zijn ook mogelijk.

Bij volwassenen patiënten is de RA bij voorkeur een neuroloog en is een vast multidisciplinair

kernteam, met als specialisatie pathologie van de schedelbasis (zi

e 3.2.3.4 Fase 4: behandeling en begeleiding)

.

Bij kinderen is de RA de kinderarts/kinderneuroloog (soms kinderneurochirurg), die nauw

samenwerkt en overleg voert met de gespecialiseerde KNO arts en de schedelbasis

pathologiewerkgroep.

Behandeling en begeleiding bij diagnose

Als de patiënt met klachten zich initieel bij een algemeen ziekenhuis meldt, verwijst het ziekenhuis de

patiënt naar het EC voor diagnosestelling, zelfs als de specialist in het algemeen ziekenhuis de diagnose NF2

vermoedt of stelt. Mogelijke onderzoeksresultaten die in het algemeen ziekenhuis zijn verkregen worden (bij

voorkeur) digitaal doorgestuurd naar het EC voor diagnosestelling of diagnosebevestiging. Relevante andere

gegevens uit het patiëntendossier worden ook meegestuurd.